Vinaora Nivo Slider 3.xVinaora Nivo Slider 3.xVinaora Nivo Slider 3.xVinaora Nivo Slider 3.xVinaora Nivo Slider 3.xVinaora Nivo Slider 3.xVinaora Nivo Slider 3.xVinaora Nivo Slider 3.xVinaora Nivo Slider 3.xVinaora Nivo Slider 3.xVinaora Nivo Slider 3.x

Mag een vrouw onderwijs geven?

vrouwelijkerabbi

Bijbel lezen doen we altijd met een bepaalde bril op; een cultuureigen bril, een theologische bril, een opvoedingsbril enz. We lezen dan ook niet precies wat er staat, maar wat we denken dat er staat. We hebben een lange historie achter ons waarin de vrouw achtergesteld was. Deze historie kleurt onze leesbril. Ook al is het feminisme soms doorgeschoten en zijn haar wortels niet altijd de mijne, we kunnen niet ontkennen dat er ook positieve veranderingen door teweeggebracht zijn. Ik noem dit, omdat we met een dergelijk vrouwonvriendelijk verleden alert moeten zijn op onze eigen wijze van kijken naar de rol van de vrouw in de Bijbel. In de volgende 10 hoofdstukken probeer ik een zo breed mogelijk beeld te schetsen, zonder de pretentie te hebben volledig te zijn.

 

MAG EEN VROUW ONDERWIJS GEVEN?

Bijbel lezen doen we altijd met een bepaalde bril op; een cultuureigen bril, een theologische bril, een opvoedingsbril enz. We lezen dan ook niet precies wat er staat, maar wat we denken dat er staat. We hebben een lange historie achter ons waarin de vrouw achtergesteld was. Deze historie kleurt onze leesbril. Ook al is het feminisme soms doorgeschoten en zijn haar wortels niet altijd de mijne, we kunnen niet ontkennen dat er ook positieve veranderingen door teweeggebracht zijn. Ik noem dit, omdat we met een dergelijk vrouwonvriendelijk verleden alert moeten zijn op onze eigen wijze van kijken naar de rol van de vrouw in de Bijbel. In de volgende 10 hoofdstukken probeer ik een zo breed mogelijk beeld te schetsen, zonder de pretentie te hebben volledig te zijn.

  1. Uitgangspunt
  2. De zondeval
  3. Verbiedt Torah het spreken van vrouwen?
  4. Sprekende en leidende vrouwen in Tenach
  5. Sprekende en leidende vrouwen in het Brit Chadasjah
  6. Sprekende en leidende vrouwen in de Apocriefe boeken
  7. Antieke inscripties over leidende vrouwen
  8. Welk gezag hebben de woorden van Paulus in dit opzicht?
  9. Wat zegt Jesjoea de Messias hiervan?
  10. Conclusie

 

1.UITGANGSPUNT

Mijn vertrekpunt in het denken over de vraag of een vrouw wel of niet mag spreken in de gemeente vinden we in het eerste boek van de Bijbel. In Gen.1:26-28 lezen we:

“En God zeide: Laat Ons mensen (אָדָם –adam) maken naar ons beeld, als onze gelijkenis, opdat zij heersen over de vissen der zee en over het gevogelte des hemels en over het vee en over de gehele aarde en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt. 27 En God schiep de mens naar zijn beeld; naar Gods beeld schiep Hij hem (אֹתוֹ – oto- mnl.ev.); man en vrouw schiep Hij hen (אֹתָם – otam- mnl.mv). 28 En God zegende hen en God zeide tot hen: Weest vruchtbaar en wordt talrijk; vervult de aarde en onderwerpt haar, heerst over de vissen der zee en over het gevogelte des hemels en over al het gedierte, dat op de aarde kruipt.”

Het eerste wat me hier op valt is dat “mensen’’ hier de vertaling is van het Hebreeuwse woord ‘adam’ (אָדָם). Je zou in het Nederlands kunnen zeggen adam met een kleine letter. De dicht bij de grondtekst blijvende Statenvertaling doet dit evenzo. En de Engelse King James vertaalt ‘adam’ met het woord ‘man’ in de zin van mens. De Naardense Vertalingen zegt: Dan zegt God: maken wij een –rode– mensheid in ons beeld en als onze gelijkenis.” De Naardense vertaling probeert iets van de bredere inhoud van het woord ‘adam’ weer te geven in de omschrijving ‘rode mensheid’; de mens uit de rode aarde.

Het tweede dat me opvalt is de zin: “En God schiep de mens naar zijn beeld; naar Gods beeld schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij hen.”  De eerste mens, adam met een kleine letter, wordt aangeduid met het persoonlijk voornaamwoord ‘oto’ (hem) en tegelijk met het meervoudige otam (hen), omdat deze mens nog niet verlost is van het vrouwelijke deel, zijn vrouwelijke zijde (צֵּלָע- tsela), vaak vertaald met rib. Zowel de zijde van de ark als de zijde van de tabernakel worden een tsela genoemd. Dus de tsela is de dragende zijde. De eerste mens adam is nog tweeledig van geslacht.

Het derde dat me opvalt is dat de mens, zowel man als vrouw geschapen is naar het beeld van God. Er is hier geen rangorde, beide zijn ze geschapen naar het beeld van God. De één is niet meer dan de ander. Op basis van enkele verzen uit het Brit Chadasja (Nieuwe Testament) kan er hooguit een volgorde aangeduid worden. We lezen b.v. in 1 Kor.14:3 Ik wil echter, dat gij dit weet: het hoofd van iedere man is Christus, het hoofd der vrouw is de man, en het hoofd van Christus is God.” Voor ‘hoofd’ wordt hier het woord ‘kephale’ gebruikt, dat is het hoofd met neus, mond en ogen. Dat het hier niet om rangorde, maar om volgorde gaat blijkt uit vers 8 waar staat: Want de man is niet uit de vrouw, maar de vrouw uit de man.” En in vers 11 wordt de rangorde nog verder tegengesproken met de woorden: En toch, in de Here is evenmin de vrouw zonder man iets, als de man zonder vrouw.” Kortom ze zijn wederzijds van elkaar afhankelijk. Het lastige aan het voorbeeld uit 1 Kor.14:3 is dat dit vers zowel rangorde als volgorde bevat. Natuurlijk is er sprake van rangorde wanneer we het hebben over b.v. Christus en de man, maar het voorbeeld gaat over volgorde. Wie was er eerst en wie volgde.

Het vierde wat opvalt is het feit dat de opdracht om te heersen over het dierenrijk gegeven wordt aan de mens (adam) voordat hij opgedeeld is in een man en een vrouw. Dus zowel de man als de vrouw hebben een opdracht om te heersen over het dierenrijk. In vers 28 wordt dit nog eens onderstreept met de opdracht om de aarde te onderwerpen.

Samenvattend kunnen we dus stellen dat man en vrouw geschapen zijn naar het beeld van God, dit impliceert dat God zowel mannelijke als vrouwelijk eigenschappen heeft. Dit blijkt ook uit de naam waarmee Hij zich aanvankelijk laat kennen: El Sjaddai (אֵל שַׁדַּי). Een sjad (שַׁד) is een moederborst. El sjaddai wordt meestal vertaald met God de Almachtige. We zouden deze naam dus ook kunnen vertalen met: God de Almachtige, die verzorgt, voedt en beschermt. De mens van het begin heeft dus een enkelvoudige (oto) en een meervoudige (otam) identiteit. Er wordt geen rangorde maar wel een volgorde aangeduid. De mens, in zijn man-vrouw stadium heeft de opdracht te heersen over het dierenrijk en de aarde te onderwerpen. Niets wijst hier op het heersen van de man over de vrouw. Pas in Gen.3:16 lezen we dat de man over de vrouw zal heersen, maar dit is geen opdracht aan de man, maar een effect van de zonde dat de vrouw wordt aangezegd. Een ander effect van de zonde is dat kinderen opstandig tegen hun ouders zijn. Er zal toch niemand zijn die dit als opdracht wil verkondigen? In de Messias mogen wij immers een nieuwe schepping zijn (2 Kor.5:17).

In Beresjit (Gen.) 2:20b lezen we:

“[…] maar voor zichzelf vond hij geen hulp, die bij hem paste.”

De hier gebruikte term is: ezer k’negdo (עֵזֶר כְּנֶגְדּוֹ), dit wijst op een helper. Natuurlijk werd dit door de overheersende man geïnterpreteerd met het neerbuigende woord ‘hulpje’, maar dat is een ontkrachting van het woord ezer. De vrouw is geschapen uit de zijde van de mens (adam). In eerste instantie wordt er gesproken over de mens, ha adam. Pas na de operatie van vers 21, spreken we over man en vrouw; over man (אִישׁ) en mannin (אִשָּׁה). Het hier gebruikte woord ‘ezer’, dat vertaald wordt met hulp, wordt ook gebruikt voor God zelf als onze hulp. Psalm 33:20 “Hij is onze hulp en ons schild.”( עֶזְרֵנוּ וּמָגִנֵּנוּ הוּא) Psalm 40:18 “Gij zijt mijn hulp en mijn bevrijder”( עֶזְרָתִי וּמְפַלְטִי אַתָּה) enz. Het woordje ‘knegdo’ (כְּנֶגְדּוֹ), komt van ‘neged’ en betekend voor, bij, tegenover, in aanwezigheid van en komt van het grondwoord ‘nagad’ dat vertellen, berichten, of meedelen betekent. Dus de vrouw is een hulp, zoals God ook een hulp is en geen hulpje; een hulp die tegenover, of bij de man staat om hem te vertellen. Wie haalt het in z’n hoofd om deze door God gegeven orde te verstoren?

 

2.DE ZONDEVAL

De zondeval is een ingrijpende gebeurtenis in de menselijke geschiedenis. In Genesis 3:6 lezen we:

”En de vrouw zag, dat de boom goed was om van te eten, en dat hij een lust was voor de ogen, ja, dat de boom begeerlijk was om daardoor verstandig te worden, en zij nam van zijn vrucht en at, en zij gaf ook haar man, die bij haar was, en hij at.”

  1. Het valt me op dat Adam bij haar was. Letterlijk staat hier ‘wa titèn gam l’isjah wa jokal’ (וַתִּתֵּן גַּם-לְאִישָׁהּ עִמָּהּ, וַיֹּאכַל), “en geeft ook haar man met haar, en hij eet.” Dus de man Adam is niet te verontschuldigen, hij is op de hoogte en zijn verontschuldiging in vers 12: De vrouw, die Gij aan mijn zijde gesteld hebt, die heeft mij van de boom gegeven en toen heb ik gegeten,” is erg menselijk en zwak te noemen. Het grappige is dat man, de vertaling van het woord isj en mannin de vertaling van het woord isjah beide zijn afgeleid van het woord enosj, wat weer komt van enasj en dat betekent o.a. kwetsbaar. Het refrein “How fragile we are” van Sting benadrukt dit gegeven op fraaie wijze. Al onze menselijke en misschien wel vooral mannelijke stoerdoenerij is een maskerade voor onze kwetsbaarheid.
  2. 1 Tim.2:14  “En Adam heeft zich niet laten verleiden (pathethe), maar de vrouw is door de verleiding (apatetheisa) in De Naardense Vertaling vertaalt hier: En Adam werd niet misleid, maar de vrouw is misleid; en eenmaal misleid is zij tot haar misstap gekomen.” Het Griekse werkwoord apatao betekent: misleiden, bedriegen, voor de gek houden. Het klopt dat Eva is misleid door de slang. Volgens deze tekst is Adam niet misleid. Wanneer ik me de situatie voorstel dan zien we dat de slang Eva misleid en de enosj Adam, de kwetsbare, accepteerde de vrucht van zijn vrouw. Hij werd niet bedrogen, maar wist exact wat hij deed. We lezen immers in Gen.2:16,17 En de Here God legde de mens (Adam) het gebod op: Van alle bomen in de hof moogt gij vrij eten, 17 maar van de boom der kennis van goed en kwaad, daarvan zult gij niet eten, want ten dage, dat gij daarvan eet, zult gij voorzeker sterven.” Er was nog geen sprake van een vrouw. Eva was nog niet uit de mens genomen. Dit gebeurde pas in vers 22. Eva was volgens haar reactie op de verleiding van de slang, wel op de hoogte van het verbod, maar had dit uit de tweede hand vernomen en was daarmee vatbaarder voor deze verleiding.

 

3.VERBIEDT TORAH HET SPREKEN VAN VROUWEN?

De kern van heel de Schrift is Torah, dus is het van belang te ontdekken wat Torah zegt over het spreken van de vrouw in het openbaar. Wanneer we de tien Woorden bekijken vinden we nergens ook maar iets over een spreekverbod voor de vrouw. Wanneer we, iets breder, de vijf boeken van Mozes doorlezen komen we ook nergens een spreekverbod voor de vrouw tegen, wel komen we sprekende en leidende vrouwen tegen. Wanneer we Tenach (het Oude Testament) doorlezen vinden we al weer geen spreekverbod voor de vrouw, wel door God gezegende sprekende en leidende vrouwen.

Sommige gelovigen maken er nogal een drama van wanneer en vrouw spreekt in de gemeente. Ze blijven weg, want ze willen niet onder het gehoor van een vrouw komen. We zien in Torah dat er op overtredingen straffen staan. Lichte straffen en zware straffen, afhankelijk van de zwaarte van de overtreding; net als in onze Nederlandse rechtspraak.

Lev.4:1-3 “De Here sprak tot Mozes: 2 Spreek tot de Israëlieten: Wanneer iemand zonder opzet zondigt in een van de dingen die de Here verboden heeft te doen, en één daarvan doet – 3 dan zal, indien de gezalfdepriesterzonde gedaan en daardoor het volk in schuld gebracht heeft, hij voor de zonde die hij begaan heeft, een jonge, gave stier de Here tot een zondoffer brengen.”

Op deze zonde staat het offeren van een stier.

Ex.21:12 “Wie een ander zodanig slaat dat deze sterft, moet ter dood gebracht worden.”

Net als in onze rechtspraak waar we milde en zware straffen kennen, is dit ook zo in de Bijbel. We zien dat hier in Ex.21:12 een veel zwaardere straf vermeld wordt. Het is opvallend dat we nergens in de Bijbel ook maar iets lezen over straf vanwege het spreken van een vrouw. Alleen al dit gegeven zou ons milder moeten maken tegenover het spreken van een vrouw. Ook al heeft iemand moeite met het spreken van een vrouw in de gemeente dan nog kan dit op basis van Torah geen zwaarwegend punt zijn.

In de tien woorden lezen we dat kinderen hun vader en moeder moeten eren. Het is opvallend dat Tenach hier expliciet twee volgordes toepast. In Ex.20:12 lezen we: Eer uw vader en uw moeder (אֶת-אָבִיךָ, וְאֶת-אִמֶּךָ), en in Lev. 19:3 lezen we  Ieder zal voor zijn moeder en zijn vader (אִמּוֹ וְאָבִיו) ontzag hebben. Het is net of Gods Geest het onheil van het willen heersen over elkaar al zag aankomen.

4. SPREKENDE EN LEIDENDE VROUWEN IN TENACH.

In Tenach komen we zeven sprekende en leidende vrouwen tegen: Sarah, Chana, Devorah, Mirjam, Esther, Avigail and Hulda

1.Sarah:

Sarah is de eerste matriarch van Israël. Haar naam Sarai (שָׂרַי) komt van sar (שָׂרַ) dat prins, heerser of leider betekent. We zien hier dus alleen al in de naamgeving een vrouwelijke leider. Ze begint als Saraï en later wordt haar naam gewijzigd in Sarah. Rasji zegt hier over: “De betekenis van Saraï is alleen mijn prins en niet voor anderen”. Sarah betekent ze zal regeren over iedereen. In Gen.21:12 zegt de Allerhoogste: Maar God zeide tot Abraham: […] in alles wat Sara tot u zegt, moet gij naar haar luisteren,[…]” Dus de Allerhoogste zegt Abraham te luisteren naar het spreken van zijn vrouw Sarah, de profetes.

2.Channah:

In 1 Sam.2 lezen we het loflied, of de profetie van Channah:

“Mijn hart juicht in de Here, mijn hoorn is verhoogd in de Here. Wijd opent zich mijn mond tegen mijn vijanden (רָחַב פִּי עַל-אוֹיְבַי -rachav pi al oivai), want ik verheug mij in uw hulp.2 Er is niemand heilig gelijk de Here, want niemand is er buiten U, en er is geen rots gelijk onze God.3 Spreekt toch niet steeds zo hoogmoedig, geen verwaten taal kome uit uw mond. De Here immers is een alwetend God en door Hem worden de daden getoetst.4 De boog der helden is verbroken, maar de wankelenden zijn met kracht omgord.5 Wie verzadigd waren, verhuren zich om brood, maar wie hongerig waren, mogen rusten. Zelfs een onvruchtbare baart er zeven, maar wie rijk was aan kinderen, verwelkt. 6 De Here doodt en doet herleven, Hij doet naar het dodenrijk neerdalen en daaruit opkomen.7 De Here maakt arm en maakt rijk; Hij vernedert, ook verhoogt Hij.8 Hij heft de geringe op uit het stof, Hij heft de arme omhoog uit het slijk, om hem te doen zitten bij edelen, en een erezetel te doen verwerven. Want de grondvesten der aarde zijn des Heren; Hij heeft daarop het aardrijk gesteld. 9 De voeten zijner gunstgenoten behoedt Hij, maar de goddelozen komen om in duisternis, want niet door kracht is een man sterk.10 Wie met de Here twisten, worden gebroken; over hen dondert Hij in de hemel. De Here richt de einden der aarde;Hij geeft sterkte aan zijn koning en verhoogt de hoorn van zijn gezalfde(מְשִׁיחוֹ – mesjicho -מְשִׁיח - mesjiach).”

In vers 1 lezen we: “Rachav pi al oivai”, “wijd open is mijn mond tegen mijn vijanden” (NV). Dus Channah trekt haar mond open tegen haar tegenstanders. Ze getuigt openlijk en haar getuigenis klinkt al eeuwen in zowel de oren van vrouwen als mannen. Ze leert ze de les. Ook vers 7 leert ons een belangrijke Bijbelse les: “de Ene onterft en maakt rijk, hij die vernedert is het ook die verheft “(NV) (יְהוָה, מוֹרִישׁ וּמַעֲשִׁיר; מַשְׁפִּיל, אַף-מְרוֹמֵם - JHWH morisj oemaäsjir masjpil af me’romen). Het is opvallend dat de Eeuwige vaak het zwakkere gebruikt om het zich sterker wanende op z’n plaats te zetten. De Eeuwige is een God van orde en balans. Wat uit de orde is moet in orde gebracht worden.

3.Debora:

Deborah heb ik uitgebreid behandeld in mijn artikel op deze website “de vrouw met de toortsen”

4.Mirjam:

In Micha 6:3,4 lezen we:

”Mijn volk, wat heb Ik u aangedaan en waarmede heb Ik u vermoeid? Getuig tegen Mij! 4 Immers heb Ik u gevoerd uit het land Egypte en uit het slavenhuis heb Ik u verlost, en Ik zond voor u heen (שְׁלַח - sjalach) Mozes, Aäron en Mirjam.”

Mozes, Aäron en de vrouw Mirjam werden door de Allerhoogste zelf gezonden voor het aangezicht van het volk, om hen te leiden. De Apostel uit het Brit Chadasja (NT) is de sjaliach, de gezondene en hier is Mirjam een gezondene. Ze wordt in Exodus 15:20 een profetes genoemd; een spreekster namens God zelf. Mirjam was dus een gezondene en een profetes!

5.Esther:

In Esther 4:15-17 lezen we dat Esther het volk leidde door hen opdrachten te geven; ja zelfs haar pleegvader Mordechai, die in de poort zat, gehoorzaamde haar:

“Toen zeide Ester, dat men Mordekai zou antwoorden: 16 Ga heen, vergader al de Joden die zich in Susan bevinden, en vast om mijnentwil: eet noch drinkt drie dagen, zo min des nachts als des daags. Ook ik en mijn dienaressen zullen op dezelfde wijze vasten en dan zal ik tot de koning gaan ondanks het verbod; kom ik om, dan kom ik om. 17 Mordekai dan ging heen en handelde overeenkomstig alles wat Ester hem geboden (צִוְּתָה – tsioetah – van צִוְָּה– tsawa: bevelen, gebieden, opdragen) had.”

In hoofdstuk 8:2 lezen we dat Esther een leider is, ze stelt Mordechai aan over het huis van Haman.:

Ester stelde (תָּשֶׂם –tasèm van שׂוּם - soem: aanstellen) Mordekai aan over het huis van Haman.”

6.Abigaïl:

In 1 Samuël 25 lezen we de reactie van de dappere vrouw Abigaïl op de dwaasheid van haar man Nabal en de boosheid van David.

23 Toen Abigaïl David zag, sprong zij haastig van de ezel af en wierp zich vlak voor David op haar aangezicht; zij boog zich ter aarde, 24 wierp zich voor zijn voeten neer en zeide: Op mij, mijn heer, rust de schuld. Laat uw dienstmaagd toch tot u mogen spreken, en hoor de woorden van uw dienstmaagd aan. 25 Mijn heer store zich niet aan deze man van niets, aan Nabal, want zoals zijn naam is, is hij: Nabal heet hij en een dwaas is hij. Maar ik, uw dienstmaagd heb de mannen die mijn heer gezonden heeft, niet gezien. 26 Nu dan, mijn heer, zo waar de Here leeft en zo waar gij zelf leeft, die de Here ervoor bewaard heeft bloedschuld op u te laden en het recht in eigen hand te nemen, nu dan, moge het uw vijanden en hun die kwaad tegen mijn heer beramen, vergaan als Nabal. 27 Dit geschenk dan, dat uw slavin aan mijn heer brengt, moge aan de mannen gegeven worden, die in het gevolg van mijn heer zijn. 28Vergeef toch de overtreding van uw dienstmaagd, want de Here zal voor mijn heer zeker een bestendig huis maken, omdat mijn heer de oorlogen des Heren voert en er geen kwaad bij u gevonden wordt, uw leven lang. 29 Mocht ooit een mens zich opmaken om u te vervolgen en u naar het leven te staan, dan zal de ziel van mijn heer gebonden zijn in de bundel der levenden bij de Here, uw God, maar de ziel uwer vijanden zal Hij wegslingeren uit de holte van de slinger. 30 Als nu de Here mijn heer doet naar al het goede dat Hij u heeft toegezegd en u tot vorst over Israël aanstelt, 31 dan zal het mijn heer niet tot een struikelblok of zijn hart tot een aanstoot zijn, dat mijn heer zonder oorzaak bloed vergoten en zichzelf recht verschaft zou hebben. En als de Here aan mijn heer wel gedaan heeft, denk dan aan uw dienstmaagd.”

Ten eerste valt hier op dat in vers 25 drie maal hetzelfde woord voor komt. Naval, Naval en oenvalah van het woord naval dat dwaas, dom, zot, onverstandig of redeloos betekent. Nergens in de Bijbel wordt dit oordeel van Abigaïl over haar man Naval veroordeeld.

Ten tweede valt het me op dat Abigaïl een tegengestelde eigenschap laat zien. Ze is een wijze vrouw. Dus dit verhaal gaat over een dwaze man en een wijze vrouw. Abigaïl onderwijst de gezalfde des HEREN met slimme en verstandige woorden. Het effect van haar les is dat David Nabal niet dood en dat hij haar in een later stadium, wanneer haar man is gestorven trouwt. Nergens wordt Abigaïl veroordeeld over haar gedrag.

עַל-נָבָל, כִּי כִשְׁמוֹ כֶּן-הוּא--נָבָל שְׁמוֹ, וּנְבָלָה עִמּוֹ

Al naval ki chisjmo ken hoe naval sj’mo oenvalah imo

op Nabal; want als zijn naam, zó is hij: Nabal, onbenul is zijn naam en onbenul kleeft hem aan

7.Chulda:

In 2 Kon.22:14 lezen we:

“En de priester Chilkia en Achikam, Akbor, Safan en Asaja gingen naar de profetes Chulda (חֻלְדָּה הַנְּבִיאָה - Chulda ha naviah), de vrouw van de klederbewaarder Sallum, de zoon van Tikwa, de zoon van Charchas. Zij nu woonde te Jeruzalem in het nieuwe gedeelte. En zij spraken met haar. 15 Zij zeide tot hen: Zo zegt de Here, de God van Israël: zegt tot de man die u tot Mij gezonden heeft: 16 zo zegt de Here: […] En zij brachten de koning het antwoord over.”

Een profeet is een navi, een profetes een naviah. Het Hebreeuwse woord voor profeet is navi (נְּבִיא) en is afgeleid van de term niv sefatajim (נוב (נִיב) שְׂפָתָיִם), hetgeen betekend vrucht van de lippen. De term navi accentueert dus het spreken van de profeet of profetes. Een profeet is een prediker, iemand die spreekt namens God zelf. In Openbaringen 19:10 lezen we Want het getuigenis van Jezus (van de verlossing) is de geest der profetie.”Chulda is hier een gezaghebbend spreekster, ze spreekt de koning zelfs aan in een periode dat er ook een mannelijke profeet werkzaam was, namelijk Jeremia. De Talmoed (Megillah 14b) zegt hierover: ”Vrouwen zijn meer mededogend dan mannen.” En dat was nodig voor koning Josia.

Chulda profeteerde in Jeruzalem, tussen de twee zuidelijke poorten. Dit waren de drukste poorten. Toen de tempel herbouwd werd werden deze poorten genoemd naar Chulda, om haar naam voor alle generaties te bewaren.

8.De vrouw van Jeremia

In Jesaja 8:6 lezen we dat de profeet Jesaja met een collega getrouwd was; met een profetes (נְּבִיאָה - neviah, van נָבִיא - navi); een namens de Eeuwige sprekende vrouw.

9. De koningin van het Zuiden

De wijze Koning Salomo ontvangt de koningin van Scheba met veel egards. Nergens blijkt ook maar iets van weerzin bij Salomo tegen het leiderschap van deze vrouw. Zelfs Jesjoea komt terug op deze vrouwelijke leider, de koningin van het Zuiden.

We lezen in Luc.11:31

De koningin van het Zuiden zal in het oordeel optreden met de mannen van dit geslacht en hen veroordelen, want zij is gekomen van de einden der aarde om de wijsheid van Salomo te horen, en zie, meer dan Salomo is hier.”

Ook in Math.12:42 lezen we ongeveer hetzelfde.

De koningin van het Zuiden zal in het oordeel optreden met dit geslacht en het veroordelen, want zij is gekomen van de einden der aarde om de wijsheid van Salomo te horen, en zie, meer dan Salomo is hier.”

Wanneer een vrouw niet gezaghebbend zou mogen spreken in de gemeente, dan zouden we hier veroordelingen lezen ten aanzien van het gedrag van bovenstaande 9 vrouwen. Nergens vinden we deze veroordelingen, integendeel ze worden gezien als grote voorbeelden.

Ik wil dit hoofdstuk afsluiten met Psalm 68:12

“De Here deed het machtwoord weerklinken;

de boodschapsters van goede tijding waren een grote schare.

De Naardense vertaling geeft het volgende weer:

“Dit gaf de Heer hun te zeggen, en groot was de strijdschaar der vrouwen die de goede tijding brachten:”

 

5. SPREKENDE EN LEIDENDE VROUWEN IN HET BRIT CHADASJAH (NT)

In Joël 2:28 lezen we:

“Daarna zal het geschieden, dat Ik mijn Geest zal uitstorten op al wat leeft, en uw zonen en uw dochters zullen profeteren; uw ouden zullen dromen dromen; uw jongelingen zullen gezichten zien. 29 Ook op de dienstknechten en op de dienstmaagden zal Ik in die dagen mijn Geest uitstorten.”

De Eeuwige laat zijn profeet Joël expliciet zowel de mannen als de vrouwen verme;lden: zonen en dochters, dienstknechten en dienstmaagden.

In Handelingen 1 lezen we dat deze profetie vervuld wordt, en in vers 14 ontdekken we alweer dat hier expliciet de mannen en de vrouwen worden genoemd:

“Deze allen bleven eendrachtig volharden in het gebed, met enige vrouwen en Maria, de moeder van Jezus, en met zijn broeders.”

In Lucas 2 vinden we dan Channa de profetes. Zoals we weten komt het woord profetes, naviah van niv sefatajim (נוב (נִיב) שְׂפָתָיִם), hetgeen betekend vrucht van de lippen. Channa was net als haar naamgenoot uit Tenach (1 Sam.2) een sprekende vrouw in Israël. Ze sprak tot allen, zowel mannen als vrouwen in de tempel van de Allerhoogste en niemand verbood haar dit.

36 Ook was daar Hanna, een profetes, een dochter van Fanuël, uit de stam Aser. Zij was op hoge leeftijd gekomen, nadat zij met haar man na haar huwelijksdag zeven jaren had geleefd, 37 en nu was zij weduwe, ongeveer vierentachtig jaar oud, en zij diende God onafgebroken in de tempel, met vasten en bidden, nacht en dag. 38 En zij kwam op datzelfde ogenblik daarbij staan, en zij loofde mede God en sprak over Hem tot allen, die voor Jeruzalem verlossing verwachtten.”

In Johannes 4 zien we Jesjoea in gesprek met een Samaritaanse vrouw. Ze is een vrouw, een minderwaardige Samaritaanse en ook nog een immorele vrouw.Je zou zeggen kan het nog minder en toch heeft hij een theologisch gesprek met haar. Het loopt er op uit dat deze vrouw het evangelie verkondigt aan mannen en vrouwen. Nergens lezen we ook maar iets van een verwijt uit de mond van Jesjoea over haar spreken.

“28 De vrouw dan liet haar kruik staan, en ging naar de stad en zeide tot de mensen: 29 Komt mede en ziet een mens, die gezegd heeft alles wat ik gedaan heb: zou deze niet de Christus zijn? 30 Zij gingen de stad uit en kwamen tot Hem.”

In Handelingen 18:26 lezen we het volgende:

24 En een zekere Jood, genaamd Apollos, geboortig uit Alexandrië, een geleerd man, doorkneed in de Schriften, kwam te Efeze. 25 Deze was ingelicht omtrent de weg des Heren en, vurig van geest, sprak en leerde hij nauwkeurig hetgeen op Jezus betrekking had, ofschoon hij alleen wist van de doop van Johannes. 26 En deze begon vrijmoedig op te treden in de synagoge. En toen Priscilla en Aquila hem hoorden, namen zij hem tot zich en legden hem de weg Gods nauwkeuriger uit.”

Deze Apollos was een welbespraakt man (aner logios) met grote kennis van de Schriften (dunatos on en tais graphais) lezen we in vers 24, een schriftgeleerde dus. En deze mannelijke schriftgeleerde wordt onderwezen door Priscilla en Aquila. De Bijbel leert niet dat de man Aquila onderwees en dat Priscilla er bij stond, nee er staat dat ze hem samen onderwezen.

In Romeinen 16:3 noemt Paulus Prisca en Aquila zijn medearbeiders.

“Groet Prisca en Aquila, mijn medearbeiders (sunergous) in ChristusJezus,”

Het woord sunergous bestaat uit sun (samen) en ergon (werk/daad). Ze hebben samen met Paulus het evangelie verkondigd en de gemeente opgebouwd.

Het is opvallend dat Prisca of Priscilla zes keer samen met haar man Aquila wordt genoemd, waarbij zelfs vier keer haar naam als eerste wordt vermeld. Het gaat er natuurlijk niet om wie de eerste of de belangrijkste is, maar juist wanneer men de vrouw probeert weg te drukken is het belangrijk het evenwicht te herstellen.

In Handelingen 21:9 lezen we over de vier dochters van Filippus die profetessen waren.

”En de volgende dag gingen wij vandaar en kwamen te Caesarea; en gekomen in het huis van Filippus, de evangelist, die behoorde tot de zeven, bleven wij bij hem. 9 Deze had vier ongehuwde dochters, die profetessen waren.

Vier vrouwelijke profeten. Het vrouw zijn wordt zelfs benadrukt door Lucas de schrijver. Er staat namelijk: dochters (thugateres) parthenoi (meisjes, maagden). Deze vrouwen spraken namens God, ze onderwezen namen God de gemeente.

In 1 Korinthiërs 11:5 lezen we dat vrouwen bidden en profeteren.

“Maar iedere vrouw, die blootshoofds bidt of profeteert”

In Romeinen 16:1 lezen we over de vrouwelijke diaken Febe.

“Ik beveel Febe (Phoibe – de stralende), onze zuster, [tevens] dienares (diakonon) der gemeente te Kenchreeën, bij u aan, 2 dat gij haar ontvangt in de Here op een wijze, de heiligen waardig, en haar bijstaat, indien zij u in het een of ander mocht nodig hebben. Want zij zelf heeft velen, ook mij persoonlijk, bijstand (prostatis) verleend.”

Het Griekse woord prostatis betekent beschermster, patrones en is afgeleid van pro-istemi wat betekent: ervoor of vooraan plaatsen, ervoor of vooraan staan.

Febe was dus een vooraanstaande diacones in de gemeente. Wat denkt u zou een vooraanstaand iemand, iemand die vooraan geplaatst is in de gemeente, niet mogen spreken?

In Romeinen 16:6 lezen we over Maria en in vers 12 over Tryfena en Tryfosa en Persis. Allen vrouwen die zich hebben ingezet voor de gemeente.

”Groet Maria, iemand, die zich veel moeite (ekopiasen) voor u heeft gegeven.”

“Groet Tryfena en Tryfosa, vrouwen, die zich moeite (kopiosas) gegeven hebben in de Here. Groet de geliefde Persis, die zich veel moeite (ekopiasen) gegeven heeft in de Here”

We zien dat het woord moeite steeds gevolgd wordt door ’ín de Here’ (en Kurioi) Ze waren dus betrokken bij de verkondiging van het evangelie.

In Filipenzen 4:2,3 lezen we over twee vrouwen Euodia en Syntyche.

2 Euodia vermaan ik en Syntyche vermaan ik, eensgezind te zijn in de Here. 3 Ja, ik vraag ook u, mijn trouwe metgezel: wees haar behulpzaam. Want zij hebben tezamen met mij in de prediking van het evangelie gestreden, naast Clemens en mijn overige medearbeiders, wier namen staan in het boek des levens.

Ze hebben samen met Paulus gestreden in de prediking van het evangelie.

In Romeinen 16:7 lezen we:

“Groet Andronikus en Junias, mijn stamgenoten en medegevangenen, mannen (hoitines) onder de apostelen in aanzien, die reeds vóór mij in Christus geweest zijn.”

  1. Het valt hier ten eerste op dat het Griekse woord hoitines vertaald wordt met mannen. Hoitines is een vorm van hostis en dat betekent iemand, iets, of alwie, mensen. De vertaling ‘mannen’ is duidelijk gekleurd door een vooroordeel.
  2. Ten aanzien van de naam Junias citeer ik het volgende uit de Studiebijbel: ”De veronderstelde mannennaam Junias komt nergens anders voor in tegenstelling tot Iounios, terwijl de vrouwennaam Junia in de oudheid juist zeer populair was. Bovendien is de in vs.15 sterk gelijkende vorm Ioulian zeker de naam van een vrouw.”

In Galaten 3 lezen we:

26 Want gij zijt allen (Jood & Griek, man & vrouw, slaaf & vrije) zonen van God (huioi theou) , door het geloof, in ChristusJezus. 27 Want gij allen, die in Christusgedoopt zijt, hebt u met Christus bekleed. 28 Hierbij is geen sprake van Jood of Griek, van slaaf of vrije, van mannelijk en vrouwelijk: gij allen zijt immers één in ChristusJezus. 29 Indien gij nu van Christus zijt, dan zijt gij zaad van Abraham, en naar de belofte erfgenamen.”

In Efeze 4 horen we rabbi Paulus het voorgaande nog duidelijker uitleggen:

21 Gij toch hebt van Hem gehoord en zijt in Hem onderwezen, gelijk dit de waarheid is in Jezus, 22 dat gij, wat uw vroegere wandel betreft, de oude mens aflegt, die ten verderve gaat, naar zijn misleidende begeerten, 23 dat gij verjongd wordt door de geest van uw denken, 24 en de nieuwe mens aandoet, die naar (de wil van) God geschapen is in waarachtige gerechtigheid en heiligheid.25 Legt daarom de leugen af en spreekt waarheid, ieder met zijn naaste, omdat wij leden zijn van elkander.

 

6. PREKENDE EN LEIDENDE VROUWEN IN DE APOCRIEFEN.

De Apocriefen zijn boeken uit dezelfde tijd als de boeken van het Nieuwe Testament. Ze zijn echter niet in de Bijbelse canon opgenomen. Wel kunnen deze boeken ons veel vertellen over de tijd van het Nieuwe Testament. Ik heb dit niet diepgaand onderzocht, maar enkele voorbeelden van sprekende gezaghebbende vrouwen wil ik toch noemen.

1.Judith

Judith 8:9-12

“Toen Judit vernam wat het volk, door watergebrek moedeloos geworden, tegen de stadsbestuurder had durven zeggen, en wat Ozias allemaal had geantwoord en hoe hij hun had gezworen de stad na vijf dagen over te geven aan de Assyriërs, 10 liet ze de stadsoudsten Ozias, Chabris en Karmi roepen door de slavin die de zorg had voor haar bezittingen. 11 Toen zij bij haar waren gekomen, zei ze tegen hen: ‘Bestuurders van Betulia, ik heb u iets te zeggen. Het was niet goed wat u vandaag tegen het volk hebt gezegd en met een eed tegenover God hebt bekrachtigd: dat u de stad overgeeft aan onze vijanden als de Heer ons niet binnen vijf dagen te hulp komt. 12 Wie bent u wel dat u God vandaag zo op de proef hebt durven stellen en u als mensen verheft boven God?”

We lezen hier dat Judith de oudsten van de stad vermaant.

2.Thecla

In het apocriefe boek ‘De handelingen van Paulus en Thecla’ lezen we:

“En Thecla stond op en zei tegen Paulus: Ik ga naar Iconium . En Paulus zei : Ga, en onderwijs het woord van God.”

Ook al is dit geen canoniek boek, het toont ons wel dat het in die tijd geen probleem was dat een vrouw onderwijs gaf.

3.Maria Magdalena

In het Apocriefe evangelie van Maria Magdalena lezen we dat Maria de discipelen onderwijst.

Maria antwoordde, ze zei: 'Wat voor jullie verborgen is, zal ik jullie vertellen'. en ze begon tot hen te zeggen deze woorden:”

 

7. ANTIEKE INSCRIPTIES OVER LEIDENDE VROUWEN

1.Rufinia, hoofd van de synagoge

Op een tombe in Smyrna uit c.a. de tweede eeuw na Christus vinden de volgende inscriptie:

ουφενα ουδαα ρχιǀσυνγωγος κατεσκεαǀσεν τὸἐνσόριον τοῖς ἀπεǀλευθέροις καὶ θρέμασιν· ǀǀ μηδενὸς ἄλου ἐξουσίαν ἔǀχοντος θάψαι τινά. εἰ δέ τις τολǀμήσει, δώσει τῷἱερωτάτῳ ταǀμείῳ αφʹκαὶ τῷἔθνει τῶν Ἰουǀδαίων αʹ. ταύτης τῆς ἐπιγραφῆς ǀǀτὸἀντίγραφον ἀπόκειται ǀεἰς τὸἀρχεῖον

"Rufina , Joods , hoofd van de synagoge, bouwde deze tombe voor haar vrijgelatenen en slaven . Niemand anders heeft de bevoegdheid om iemand anders hier te begraven. Wanneer iemand dit wel durft te doen, zal die persoon 1500 dinariën betalen aan de meest heilige schatkist en 1000 dinariën aan de Joden . Een kopie van deze inscriptie is opgeslagen in het archief."

2.Sophia, oudste en hoofd van de synagoge

Op Kreta is een Griekse inscriptie gevonden uit de 4e/5e eeuw na Chr. Met de volgende tekst:

“Sophia van Gortyn, oudste (presbytera) en hoofd van de synagoge (archisynagogissa) van Kisamnos (ligt) hier. In herinnering aan de rechtvaardige voor eeuwig.”

3.Theopempte, hoofd van de synagoge

In Turkije vinden we de volgende inscriptie uit de 6e eeuw:

“[van Th]eopemte, [ho]ofd van de synagoge (archisynagogos) en haar zoon Eusebios.”

4.Peristeria de leider

Griekse inscriptie op een grafsteen met een zevenarmige menorah uit Thebes in Phthiotis in Thessaly

“Graf van Peristeria, leider (archegisa)”

5.Rebeka de oudste

Griekse inscriptie uit de 4e of 5e eeuw na Chr. Uit Bizye in Thrace. Op de steen staat een etrog en een zevenarmige menorah. De tekst luidt:

“Graf van Rebeka, de oudste (presbytera) die is ingeslapen.”

6.Beronike de oudste

Inscriptie in een Joodse catacombe in Venosa in Apulia in Zuid Italië uit c.a 5e eeuw na Chr.

“Graf van Beronike, oudste (presbitere) en dochter van Ioses.”

7.Maninne de oudste

Grafschrift in rood geschilderd op het pleister van de muur van het graf luidt:

“Graf van Maninne, oudste (presbitere), dochter van Longinus, vader, kleindochter van Faustinus”

8.Faustina de oudste

Grafschrift in rood geschilderd op het pleisterwerk boven het graf in het Grieks, met het woord sjalom in het Hebreeuws tot slot. De tekst luidt:

“Graf van Faustina, oudste (presbitere) vrede”

9.Myrina de oudste

Opgravingen in Nocera Superiore in Zuid Italië laten een inscriptie, vergezeld van een menorah zien op een marmeren blok uit de 6e eeuw na Chr. Er staat op vermeld:

“Myrina, de oudste (presbytera), vrouw van Pedoneious”

10.Makaria de oudste

Een inscriptie uit de 4e/5e eeuw na Chr. Is gevonden in een loculus, een graf voor een persoon, in een Joodse catacomb in Oea, Tripolitana. Dit graf bevat drie kolommen gescheiden door palmbladeren onder de afbeelding van een menorah en een loelav. De inscriptie luidt:

Linkerkolom: “Graf van Makaria (de gezegende)”

Middelste kolom: “Mazauzala, oudste (presbeteresa). Ze leefde…. Jaren”

Rechterkolom: “God is met de heiligen en rechtvaardigen”

11.Eulogia de oudste

Een Grieks graf met inscriptie uit 4e/5e eeuw uit Malta verwijst naar een mannelijke gerusiarch en zijn vrouw, die oudste was. De tekst luidt:

“[mannelijke naam] gerousiarch, bewonderaar van de geboden en Eulogia, oudste (presbytera), zijn echtgenote.”

12.Sara Ura de oudste

Een Griekse grafinscriptie uit de 3e/4e eeuw van de Monteverde catecombe in Rome welke een zevenarmige menorah draagt. De tekst luidt:

“Hier ligt Sara Ura, oudste (presbytns)”

13.Veturia Paula, moeder van de synagoge

Een Latijnse inscriptie op een sarcofaag uit de 3e/4e eeuw na Chr. uit Rome met een sjofar, een loelav en een zevenarmige menorah. De tekst luidt:

“Vetunia Paulla, geplaatst in haar eeuwige thuis, die 86 jaar leefde, 6 maanden, een proseliet voor 16 jaren, met de naam Sara, moeder van de synagoge (mater synagogarum) uit campus en volumnius. Rust zacht.”

14.Maria Marcella, moeder van de synagoge

Een marmeren sarcofaag uit Trastevere, Rome, bevat een Griekse inscriptie van waarschijnlijk de 3e eeuw welke hoogstwaarschijnlijk gereconstrueerd kan worden tot een moeder van de synagoge. Drie kleine klimopbladeren verfraaien de steen. De gereconstrueerde tekst is als volgt:

“Hier ligt [Mar-? Jul?]ia Marcel[la, moe]der van de syna[goge] ([me]ter syna[goges] van de Augus[tijnen]. Moge [ze] herinnerd worden. Rust zacht.”

15.Simplicia, moeder van de synagoge

Een Griekse inscriptie uit de 3e/4e eeuw van Vigna Randanini in Rome zal naar alle waarschijnlijkheid ook gereconstrueerd moeten worden als moeder van de synagoge. Het marmeren fragment draagt een zevenarmige menorah. De tekst luidt:

“Hier ligt Simp[lica, moeder(?) van de [sy}nagoge ([meter sy[nagoges]), die haar man liefhad [naam echtgenoot] van de synagoge voor zijn eigen vrouw.”

16.Coelia Paterna, moeder van de synagoge

Een Latijnse inscriptie uit de 4e eeuw of vroeger op een kalkstenen tablet uit Venetië in Brescia, waarvan de tekst luidt:

“Voor Coelia Paterna, moeder van de synagoge (mater synagoga) van de Brescianen.”

17.Alexsanra, vaderes

Een grafschrift uit de 5e/6e eeuw uit Venosa bevat de ongebruikelijke titel vaderes. De Latijnse inscriptie sluit af met sjalom in het Hebreeuws.

“Hier ligt Alexsanra vaderes (pateressa) die leefde c.a. […] sjalom”

De titel pateressa, welke vertaald zou kunnen worden met de vreemde titel vaderes van de synagoge van de Joodse gemeenschap, is eenvoudig de vrouwelijke vorm van vader (pater). Een Christelijk literair werk, De altercatione ecclesiae et synagogae, verwijst naar Joodse moeders van de synagoge (PL,42.1134) Dit document geeft aan dat de titel mater synagogae wel bekend was in de Joodse gemeenschap. Geleerden uit het verleden gingen er van uit dat zowel ‘moeder van de synagoge als vader van de synagoge eretitels waren.

18.Leta, oudste/presbiter18

Grafschrift uit de 5e eeuw in Bruttium uit de catacombe van Tropea. De tekst luidt:

B(onae) m(emoriae) s(acrum). Leta presbitera/vixit annos XL, menses VIII, dies VIIII/ quei (scil. cui) bene fecit maritus/ Precessit in pace pridie/idus Maias”

Gewijd aan haar goede herinnering, Leta de Presbyter leefde 40 jaar , 8 maanden , 9 dagen , voor wie haar echtgenoot deze tombe oprichtte. Ze ging hem in vrede op de dag voor 1 mei. (www.womenpriests.org/traditio/otran_1.asp)

Dit hoofdstuk is gebaseerd op gegevens uit: “FROM DURA TO SEPHORIS: STUDIES IN JEWISH ART AND SOCIETY IN LATE ANTIQUITY”: edited by Lee I.Levine and ZEEV Weiss – Portsmouth, Rhode Island, 2000)

8. WELK GEZAG HEBBEN DE WOORDEN VAN PAULUS IN DIT OPZICHT?

Ieder geschrift moeten we plaatsen in het kader waar het voor geschreven is. Een boek als Genesis heeft een andere bedoeling dan Exodus en de Psalmen lees je al weer anders als b.v. Jesaja. Dit geldt ook voor het Brit Chadasjah (Nieuwe Testament). De Evangeliën zijn van een ander aard dan de brieven van Paulus en Openbaring vraagt ook weer een eigen manier van lezen. Ieder bijbelboek moet in zijn eigenheid gelezen worden. Neem b.v. de eerste brief van Paulus aan de Korintiërs. C.a vijf jaar na de stichting van deze gemeente door Paulus zelf reageert Paulus in deze brief op enkele vragen vanuit deze gemeente. We lezen in 1 Kor.7:1

"Wat nu de punten betreft, waarover gij mij geschreven hebt,”

Dit wordt ondersteund door hetgeen we lezen in 1 Kor.1:11

“Mij is namelijk omtrent u, mijn broeders, medegedeeld door de (huisgenoten) van Chloë, dat er twisten onder u zijn.”

We moeten deze brief dus lezen in het kader van de vragen uit deze gemeente. Er zijn ernstige problemen. Je zou kunnen zeggen Korinthe is een zieke gemeente en Paulus schrijft in zijn brief als het ware een medicijn voor om deze ziekte te genezen. Dit is het kader waarin we de brief aan Korinte moeten lezen. Dit is de bril waardoor we moeten lezen. Doen we dit niet dan stellen we ons onder menselijke wetten en dat wordt al gauw wetticisme. De brief aan Korinte is geen wetgeving, zoals we die vinden in Torah. Ze kan dit ook niet zijn. want Torah is eeuwige wetgeving waar niets aan toegevoegd en niets van afgedaan kan en mag worden zo lezen we in Deut.4:2 Gij zult aan wat ik u gebied, niet toedoen en daarvan niet afdoen, opdat gij de geboden van de Here, uw God, onderhoudt, die ik u opleg.” Dit zegt de Eeuwige ook tegen de apostel Paulus en Paulus weet dit zelf ook zeer goed want hij is immers een wetgeleerde; hij studeerde aan de voeten van Gamaliël; een kleinzoon van de beroemde rabbi Hillel. Zijn naam is eigenlijk Gam’liel wiens naam betekent: "God is mijn beloning".

We gaan enkele Paulinische teksten bekijken.

a.1 Kor.11

1 Kor.11:”3 Ik wil echter, dat gij dit weet: het hoofd (kephale) van iedere man is Christus, het hoofd (kephale) der vrouw is de man, en het hoofd (hoofd) van Christus is God.”

Hoofd is de Nederlandse vertaling van het Griekse woord kephale. Uit de Septuagint weten we dat het hier om het Hebreeuwse woord rosj (רֹאשִׁ) gaat. Van de 595 keren dat ‘hoofd’ voorkomt in Tenach (het OT), wijst het meestal letterlijk op het hoofd. 180 maal wijst het op leider of autoriteit. In de Septuagint wordt het letterlijke woord rosj vertaald met kephale. Wanneer het gaat om leider of autoriteit dan kiest de Septuagint ervoor om niet het woord rosj te gebruiken, maar b.v. het woord archon dat leider betekent. Kephale wordt zelden gebruikt in het Koine Grieks in de betekenis van leider of hoofdpersoon. De Liddell-Scott-Jones, een van de meest grondige woordenboeken van het Oude Grieks en het Nieuwe Testament bevat geen enkele definitie van kephale die wijst op leider, heerser, of autoriteit. Het woord hoofd voor leider is een Nederlands gebruik. Het Grieks kent dit niet en de Septuagint probeert deze vertaling te vermijden.Verschillende verklaarders van het Nieuwe Testament geven aan dat kephale in vers 3 wijst op oorsprong, of bron. In hoofdstuk zeven van zijn boek “One in Christ” legt Philip Payne de betekenis van kephale uitgebreid uit. Hij citeert van Cyrillus van Alexandrië, van Theodorus van Mopsuestia en van Johannes Chrysostomus, verder Basilius van Caesarea, Athanasius van Alexandrië, Eusebius van Caesarea en Ambrosiaster. Al deze vroege kerkelijke theologen en schrijvers geloofden dat bron en niet autoriteit de betekenis is van het woord kephale in 1 Kor.11:3.

In Hand.7:10 lezen we:

en verloste hem uit al zijn verdrukkingen en gaf hem genade en wijsheid tegenover Farao, de koning van Egypte, die hem aanstelde tot hoofd (hegoumenon) over Egypte en over zijn gehele huis.”

Het is opvallend dat er in dit gebruik van het woord hoofd in het Grieks geen kephale, maar hegoumenon wordt gebruikt. Geen koning, goeverneur, centurion, Joodse leider, kerkleider, patriarch, ouder of wat voor autoriteit ook, wordt kephale genoemd in de Bijbel.

Wanneer we 'kephale' vertalen met oorsprong dan lezen we het volgende:

“3 Ik wil echter, dat gij dit weet: (A) de oorsprong (kephale) van iedere man is Christus, (B) de oorsprong (kephale) der vrouw is de man, (C) en de oorsprong (kephale) van Christus is God.”

Het gaat hier niet over hiërarchie, maar om chronologie. Andere Bijbelplaatsen ondersteunen deze uitleg.

  1. Man-Christus Kol.1:16  “want in Hem zijn alle dingen geschapen”
  2. Vrouw – man Gen.2:23 Dit is nu eindelijk been van mijn gebeente en vlees van mijn vlees”
  3. Christus – God Luc.1: De heilige Geest zal over u komen en de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen; daarom zal ook het heilige, dat verwekt wordt, Zoon Gods genoemd worden.”

1 Kor.11:”4 Iedere man, die bidt of profeteert met gedekten (kata kephales; neerhangend over zijn hoofd) hoofde, doet zijn hoofd schande aan. 5 Maar iedere vrouw, die blootshoofds bidt of profeteert, doet haar hoofd schande aan, want zij staat gelijk met ene, die kaalgeschoren is. 6 Want indien een vrouw zich het hoofd niet dekt, moet zij zich ook maar het haar laten afknippen. Doch indien het een schande is voor een vrouw, als zij zich het haar laat afknippen of zich kaal laat scheren, dan moet zij zich dekken. 7 Want een man (aner) moet het hoofd niet dekken: hij is het beeld en de heerlijkheid Gods, maar de vrouw is de heerlijkheid van de man.

Vers 7 (Grieks) “aner mengar ouk opheilei kata-kaluptesthai ten kephalen.” Dit is geen argument tegen lang haar, want de Nazirener droeg lang haar en ook van Simson weten we dit. Ook gaat het hier niet over een hoofdbedekking, want Israëlitische mannen droegen hoofdbedekking, zeker wanneer ze in de tempel dienden. Bovendien is de man door God geschapen en de natuurlijke gang van zaken (scheppingsorde) is dat haar blijft groeien tot het uitvalt. In vers 7 gaat het om omsluieren. Wanneer de vrouw de heerlijkheid is van de man, dan is dit een vertaling van het Griekse woord ‘doxa’ dat staat voor: glans, heerlijkheid en eer. In de Septuagint wordt dit meestal vertaald met ‘kavod’ dat ook ‘gewichtigheid’ betekent en de heerlijkheid van God wordt er mee aangeduid. Dus wanneer de vrouw de heerlijkheid van de man is, dan is dit bijzonder eervol bedoeld.

1Kor.11: ” 8Want de man is niet uit de vrouw, maar de vrouw uit de man. 9 De man is immers niet geschapen om de vrouw, maar de vrouw om de man. 10 Daarom moet de vrouw een macht op het hoofd hebben vanwege de engelen.

1 Kor.11:10 (Grieks) “dia touto opheilei he gune exousian echein epi tes kephales dia tous aggelous.” Het gebruik van ‘macht’ is de vertaling van het Griekse woord exousia. Dit woord betekent: recht op vrijheid van handelen, niet door anderen gehinderde macht om iets te doen. Bovendien staat er ‘exousia epi’ en dat betekent niet ‘een macht op’, maar ‘een macht over’. Deze combinatie komt vijftien maal voor in het Brit Chadasja en steeds gaat het over een actieve beschrijving van macht/ autoriteit die iemand heeft over iets. De vrouw heeft recht op vrijheid van handelen t.a.v. haar eigen hoofd.

Het woord ‘aggelous’ kan zowel engelen als boodschappers betekenen. We komen de vertaling boodschappers b.v. tegen in Jac.2:25. Dus we hoeven hier niet per definitie te denken aan de geestelijke wezens, de engelen.

1 Kor.11:"En toch, in de Here is evenmin de vrouw zonder man iets, als de man zonder vrouw. 12 Want gelijk de vrouw uit de man is, zo is ook de man door de vrouw; alles is echter uit God. 13 Oordeelt zelf: is het voegzaam, dat een vrouw met ongedekten hoofde tot God bidt? 14 Leert de natuur zelf u niet, dat, indien een man lang haar draagt, dit een schande voor hem is, 15 doch dat, indien een vrouw lang haar draagt, dit een eer voor haar is? Immers, het haar is haar tot een sluier gegeven.”

In vers 11 ontdekken we de kern van de boodschap. In Korinthe zijn de verhoudingen uit balans. Paulus heeft het niet over de autoriteit van de man over de vrouw, maar over de onderlinge afhankelijkheid en dienstbaarheid en daar waar de vrouw de man overheerst moet het evenwicht hersteld worden.

­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­Om de wanorde in Korinthe te begrijpen dienen we inzicht zien te krijgen in de situatie van Korinthe in die tijd. Korinthe was een zeer welvarende havenstad in Griekenland. De prostitutie tierde er welig.

  1. Rond het jaar 0 schreef de Griekse historicus Strabo in zijn geografisch historische beschrijving van de stad Korinthe over de tempeldienaressen in de tempel van Aphrodite: De tempel was zo rijk dat er meer dan 1000 hetairas (tempelprostituees) werkten. Deze droegen in sterke mate bij aan de rijkdom van de stad. De zeelui spendeerden hier grote sommen geld aan.
  2. In 1 Kor.14:23 lezen we dat de gemeente van Korinthe aardig het pad kwijt was. Voor gasten was een samenkomst geen pretje. Je kreeg de indruk dat er een stel gekken aan het razen en tieren was. Hoe kunnen we dit verklaren? De Grieken beoordeelden waanzinnigheid als een belangrijk aspect van aanbidding. Speciaal vrouwen reageerden extatisch op Bachus ook wel Dionysus genoemd, de god van de waanzin. Korinthe was het centrum van de Dionysus aanbidding. Vooral vrouwen waren beroemd voor hun wildheid in de Bacchus cultus maar ook in andere mysterie cultussen. Opvallend waren de lawaaierige uitbarstingen van religieuze beroering waar de historicus Strabo over schrijft. Menander, een andere Griekse schrijver schrijft: “We brachten vijf keer per dag offers en zeven dienstdoende vrouwen sloegen op cymbalen rondom ons en de rest van de vrouwen scandeerden op hoge toon (Gr. Olulugia – het juichen van vouwen).
  3. Naast dit gekrijs beschrijven de oude schrijvers de aanbidders van Dionysus, als bezig zijnde met dans, drankmisbruik, seksuele uitspattingen, schaarse kleding en andere vormen van buitensporig gedrag. Alleen in uitzinnigheid kon men gemeenschap hebben met de godheid, in extase tot die mate dat de ziel het lichaam leek te verlaten om één met hem te worden.
  4. Tenslotte is het van belang te weten dat het spreken in tongen bekend is bij de extatische heidense religies. De Griekse blijspeldichter Aristophanes spreekt in het stuk ‘Kikkers’ over de tong van Bacchus (357). Paulus reageert hier op met “want God is geen God van wanorde, maar van vrede.”(vs.32) met de woorden: ”En de geesten der profeten zijn aan de profeten onderworpen,”

Samenvattend zien we dat de rijke havenstad Korinthe een groot deel van haar rijkdom verdiende met prostitutie, daarnaast was extatisch gillen een manier om in contact te treden met de godheid. Seksualteit en dronkenschap waren daar onderdelen van. De nieuwe gemeente die ontstond in Korinthe lijkt hier niet helemaal vrij van te zijn, gezien de opmerking van Paulus in 1 Kor.14:23. Ook in 1 Kor. 8 ontdekken we de problemen die hier speelden rond het eten van offervlees en in 1 Kor.10 de opmerking over afgoden.

b.1 Kor.14:23-40

23 Indien dan de gehele gemeente bijeengekomen is en allen in tongen spreken, en er komen toehoorders of ongelovigen binnen, zullen zij niet zeggen, dat gij wartaal (Gr: mainesthe – razen, waanzinnig zijn) spreekt (Gr: lalosin, van lalein) ? 24 Maar als allen profeteren en er komt een ongelovige of toehoorder binnen, dan wordt hij door allen weerlegd, wordt hij door allen doorgrond, 25 het verborgene van zijn hart komt aan het licht en hij zal zich ter aarde werpen, God aanbidden en belijden, dat God inderdaad in uw midden is.26 Hoe staat het dan, broeders? Telkens als gij samenkomt, heeft ieder iets: een psalm of een lering of een openbaring of een tong of een uitlegging; dat alles moet tot stichting (‘oikodomen’ – een huis bouwen, overdrachtelijk geestelijke groei, onderwijs) geschieden. 27 Indien er in tongen spreken(Gr: lalei, van lalein), laten het er twee, ten hoogste drie zijn, ieder op zijn beurt, en laat één uitleg geven. 28 Is er echter geen uitlegger, dan moet men zwijgen (Gr: sigato) in de gemeente, maar tot zichzelf en tot God spreken (Gr: laleito, van lalein). 29 Wat de profeten betreft, twee of drie mogen het woord voeren, en de anderen moeten het beoordelen. 30 Maar indien aan een ander, die daar gezeten is, een openbaring ten deel valt, moet de eerste zwijgen (Gr: sigato). 31 Want gij kunt allen één voor één profeteren, opdat allen lering en allen opwekking erdoor ontvangen. 32 En de geesten der profeten zijn aan de profeten onderworpen, 33 want God is geen God van wanorde, maar van vrede.34 Zoals in alle gemeenten der heiligen moeten de vrouwen in de gemeenten zwijgen(Gr: sigatosan); want het is haar niet vergund te spreken (Gr: lalein) maar zij moeten ondergeschikt blijven, zoals ook de wet zegt. 35 En als zij iets willen te weten komen, moeten zij thuis haar mannen om opheldering vragen; want het staat lelijk voor een vrouw te spreken (Gr:lalein) in de gemeente. 36 Of is het woord Gods bij u begonnen? Of heeft het alleen u bereikt? 37 Indien iemand meent een profeet of geestelijk mens te zijn, laat hij dan wèl weten, dat hetgeen ik u schrijf, een gebod des Heren is. 38 Maar als iemand hiermede niet rekent, dan wordt met hem niet gerekend. 39 Zo dan, mijn broeders, streeft ernaar te profeteren, en belemmert het spreken in tongen niet. 40 Laat alles betamelijk en in goede orde geschieden.”

Bovenstaand gedeelte uit 1 Kor.14 sluit af met de veelzeggende samenvattende verzen 39 en 40:Zo dan (Gr:hoste – zodat), mijn broeders, streeft ernaar te profeteren, en belemmert het spreken in tongen niet. 40 Laat alles betamelijk (Gr:euschemonos – fatsoenlijk) en in goede orde (Gr:kata taxin – langs orde) geschieden.”

We zien in deze conclusie (hoste) de drie thema’s terugkomen; drie maal roept hij op tot een tijdelijk zwijgen (sigato). Het gaat hier nergens over een definitief algemeen zwijgen:

Dan valt er nog het volgende op: In vers 32

En de geesten der profeten zijn aan de profeten onderworpen,” Onderworpen is de vertaling van het Griekse woord hupotasso.

In vers 35 lezen we:

Zoals in alle gemeenten der heiligen moeten de vrouwen in de gemeenten zwijgen(Gr: sigatosan); want het is haar niet vergund te spreken, maar zij moeten ondergeschikt blijven, zoals ook de wet zegt.”

Hier is het woord ‘ondergeschikt’ de vertaling van ‘hupotasso’. ‘Hupotasso’ betekent zelfcontrole. ‘Tasso’ betekent ‘ordenen’ en ‘hupo’ ‘onder’. Dus je ergens onder voegen of ordenen. Veelal gaat het dan om zelfcontrole. De New American Standart Bible vertaalt vers 34 als volgt: ”The women are to keep silent in the churches; for they are not permitted to speak, but are to subject themselves, just as the Law also says.”

Dus je laat je niet extatisch gaan, je gaat niet uit je bol, maar je bent verantwoordelijk voor je eigen daden. De profeten zijn verantwoordelijk voor hun profetieën, de sprekers in talen zijn verantwoordelijk voor de woorden die ze spreken, waarom zouden we dan dit woord ‘hupotasso’ plotseling voor vrouwen anders gaan vertalen? Letterlijk staat er: “Laat ze (de vrouwen) zichzelf controleren zoals ook de wet zegt.”

Zegt de wet dat vrouwen moeten zwijgen? Nee, dat zegt Torah nergens!

Wat zegt de wet dan wel? De Here sprak tot Mozes:

2 Spreek tot de ganse vergadering der Israëlieten en zeg tot hen: Heilig zult gij zijn, want Ik, de Here, uw God, ben heilig.”(Lev.19:1)

Zelfbeheersing is een centraal thema in de Torah en het zwijgen van vrouwen als algemene opdracht komt daar niet in voor.

De opmerking van Paulus: “het is haar niet vergund te spreken” in vers 34, is de NBG vertaling van “ou gar epi tetraptai autais lalein” niet namelijk is het toegestaan aan hen, en dan volgt het werkwoord ‘lalein’ dat hier met spreken wordt vertaald. Lalein betekent oorspronkelijk babbelen en kwetteren. Het is meer geluid uiten dan spreken met zingeving. De Griekse schrijver Phrynichus vertaalt het woord met wartaal spreken. Debrunner “Kittle Friedrich Theological Dictionary of the New Testament” stelt: “lalein kan ook tamelijk objectief gebruikt worden wanneer er meer sprake is van geluid dan van betekenis.”

Het lied Lysistrata van Aristophanes illustreert dit op duidelijke wijze.

Roep Bacchus aan brandend met zijn Meanades (waanzinnige vrouwen);

Roep Zeus aan in de bliksem gekleed.

Roep zijn koningin aan, de altijd gezegende de beminnelijke

Roep de heilige onfeilbare getuigen

Roep hen om te getuigen van de vrede en de harmonie.

Dat wat de goddelijke Aphrodite heeft gemaakt.

Allala! Lalla! Lallala! Lallaia!

Schreeuw om overwinning, lallalalae

Afgevaardigde! afgevaardigde! Lallala. Lallala!

Evae! Evae! Lallalalae

De Grieken schreeuwden zowel in aanbidding als in oorlog: “ alala” Denk ook aan de extatische geluiden die veel vrouwen in oosterse landen uitstoten bij verdriet.

Jesjoea zegt in Matth.6:7

En gebruikt bij uw bidden geen omhaal van woorden (Gr: battologeo – gedachtenloos spreken, kletsen) , zoals de heidenen; want zij menen door hun veelheid van woorden verhoord te zullen worden.”

De Griekse filosoof Lamblichus schreef over de ‘lallende’ Metrizontes:

“U schijnt te denken dat degenen die verstrikt zijn door de moeder van de goden mannen zijn, want u noemt hen, dienovereenkomstig , ' Metrizontes ' toch is dat niet waar, want de ' Metrizontesae ' zijn voornamelijk vrouwen.”

De Griekse vrouwen waren vaak niet ontwikkelt en gebonden aan hun huizen.

1 Kor.14:32-34: “En de geesten der profeten zijn aan de profeten onderworpen, 33 want God is geen God van wanorde, maar van vrede.34 Zoals in alle gemeenten der heiligen moeten de vrouwen in de gemeenten zwijgen; want het is haar niet vergund te spreken, maar zij moeten ondergeschikt blijven, zoals ook de wet zegt.”

Nu nemen we de Staten Vertaling erbij, hier staat:

“32 En de geesten der profeten zijn den profeten onderworpen.33 Want God is geen God van verwarring, maar van vrede, gelijk in al de Gemeenten der heiligen.34 Dat uw vrouwen in de Gemeenten zwijgen; want het is haar niet toegelaten te spreken, maar bevolen onderworpen te zijn, gelijk ook de wet zegt.”

b.1. Geldt dit zwijgen voor alle gemeenten?

We zien hier dat de NBG aangeeft dat de vrouwen moeten zwijgen, zoals dat in alle gemeenten het geval is en de Staten Vertaling geeft aan dat God geen God van verwarring is maar een God van vrede, zoals in alle gemeenten.

Welke vertaling heeft het nu bij het rechte eind? We zien hier hoe snel we hier de mist in kunnen gaan. De vrij letterlijke Naardense Vertaling vertaalt dit met:

“De geesten van profeten zijn aan profeten ondergeschikt; want God is niet een God van wanorde, nee, van vrede, zoals in al de vergaderingen der heiligen.”

En ook de redelijk letterlijke King James vertaalt dit zo:

“For God is not the author of confusion, but of peace, as in all churches of the saints.”

Dus de drie meest letterlijke vertalingen verbinden het feit dat God een God van vrede is, met zoals in al de gemeenten der heiligen en niet het zwijgen van de vrouw. Laten we voorzichtig zijn met het trekken van conclusies wanneer we uitgaan van vertalingen. Ik ga uit van de keuze van de meest letterlijke vertalingen en concludeer dat het zwijgen van de vrouw geen regel is voor alle gemeenten.

Wel geldt voor alle gemeenten dat God geen God van wanorde is, maar van sjalom.

b.2. Bedoelt Paulus dit letterlijk?

Dan de vraag of Paulus letterlijk bedoelt dat de vrouwen moeten zwijgen in de gemeenten. Wanneer we dit letterlijk nemen, dan mag een vrouw niet zingen, niet luid op bidden, geen zangleiding en geen kinderwerk doen. En zeker mag ze niet in een oudstenraad zitting nemen. Ze moet immers zwijgen.

Zwijgen is de vertaling van het Griekse woord ‘sigatosan’ wat letterlijk zwijgen betekent.

Omdat we in de Bijbel tekst met tekst moeten vergelijken, om niet tot ongebalanceerde uitspraken te komen onderzoeken we of Paulus (we blijven eerst maar even bij Paulus zelf) hier consistent in is.

Dat is hij echter niet, want we lezen:

1 Kor.11:5 “Maar iedere vrouw, die blootshoofds bidt of profeteert,”

De vrouw bidt en profeteert dus in de gemeente.

1 Kor.11:13 "Oordeelt zelf: is het voegzaam, dat een vrouw met ongedekten hoofde tot God bidt?"

De vrouw bidt.

Laten we de hele perikoop er eens bij halen

1 Kor.14:

26 Hoe staat het dan, broeders? Telkens als gij samenkomt, heeft ieder iets: een psalm of een lering of een openbaring of een tong of een uitlegging; dat alles moet tot stichting (‘oikodomen’ – een huis bouwen, overdrachtelijk geestelijke groei, onderwijs) geschieden. 27 Indien er in tongen spreken, laten het er twee, ten hoogste drie zijn, ieder op zijn beurt, en laat één uitleg geven.28 Is er echter geen uitlegger, dan moet men zwijgen (‘sigato’) in de gemeente, maar tot zichzelf en tot God spreken. 29 Wat de profeten betreft, twee of drie mogen het woord voeren, en de anderen moeten het beoordelen. 30 Maar indien aan een ander, die daar gezeten is, een openbaring ten deel valt, moet de eerste zwijgen (‘sigato’) . 31 Want gij kunt allen één voor één profeteren, opdat allen lering en allen opwekking erdoor ontvangen. 32 En de geesten der profeten zijn aan de profeten onderworpen, 33 want God is geen God van wanorde, maar van vrede. 34 Zoals in alle gemeenten der heiligen moeten de vrouwen in de gemeenten zwijgen (‘sigatosan’) ; want het is haar niet vergund te spreken (‘lalein’ van ‘laleo’) , maar zij moeten ondergeschikt (‘hupo tassesthai’) blijven, zoals ook de wet zegt. 35 En als zij iets willen te weten komen, moeten zij thuis haar mannen om opheldering vragen; want het staat lelijk voor een vrouw te spreken in de gemeente. 36 Of is het woord Gods bij u begonnen? Of heeft het alleen u bereikt?

We zien dat het hele gedeelte gaat over de samenkomst. Deze dient tot stichting, opbouw, groei van de gemeente. De opmerking: “want God is geen God van wanorde, maar van vrede,” verduidelijkt het doel van Paulus’ opmerkingen. Er is blijkbaar in Korinthe een probleem van wanorde. Drie keer zien we dat Paulus tot zwijgen oproept; drie keer gebruikt hij hetzelfde woord ‘sigato’. Wanneer we deze drie gelijkstellen gaat het bij twee van de drie in ieder geval om een tijdelijk zwijgen en geen definitief zwijgen. Het is dus helemaal niet zeker dat het bij de derde keer wel om een definitief zwijgen gaat.

Paulus roept de vrouwen in Korinthe op tot onderdanigheid, zoals ook de wet zegt.

De vraag is dan waar in Torah doelt Paulus op?

Torah leert nergens dat vrouwen aan alle mannen onderworpen zijn, ook geeft Torah nergens aan dat ze moeten zwijgen. Wanneer Paulus verwijst naar een Romeinse burgerlijke wet, dan zullen de Korintiërs dit wel begrepen hebben.

De New American Standart Bible vertaalt vers 34 als volgt:

”The women are to keep silent in the churches; for they are not permitted to speak, but are to subject themselves, just as the Law also says.”

Dus net zoals de profeten geboden wordt zichzelf te beheersen, zo worden de vrouwen geboden zichzelf te beheersen. Er staat namelijk dat ze zich moeten onderwerpen, maar er staat niet bij aan wie. Dus de New American Standart Version is een optie, die logisch is in de context. Het ‘zoals de wet zegt’ wordt in deze uitleg wel ondersteund door Torah. De tien woorden gaan immers over zelfbeheersing: je moord niet, je pleegt geen overspel, je steelt niet, je spreekt geen leugens, enz.

In de eerste eeuw waren wel opgeleide vrouwen, maar de meeste vrouwen trouwden jong en waren onopgeleid. Paulus benadrukt dat er maar een persoon tegelijk spreekt. De onopgeleide vrouwen zouden zoveel simpele vragen stellen dat de spreker niet meer tot zijn punt kan komen. Deze vragen kunnen ze beter thuis stellen of onderweg naar huis aan andere gemeenteleden of hun echtgenoten. Dit is een volkomen logische correctie van Paulus die zelfbeheersing vraagt van de vrouwen. Het gaat om de orde in de samenkomst.

c.Efeze 4

De context van de brief aan Efeze is vergelijkbaar met die aan de gemeente in Korinthe. Paulus schrijft deze brief aan Timotheüs in Efeze. Efeze was evenals Korinthe een vunzige heidense stad met alle invloeden van dien. De tempel van Artemis stond hier. Deze is volgens overleveringen gebouwd door de Amazonen; een mythisch volk van vrouwelijke strijders. Paulus is bezorgd over Timotheüs en de gemeente aldaar. De gemeente in Efeze werd beïnvloed door deze heidense gedachten en vrouwen domineerden over mannen. Hier waarschuwt Paulus in strenge bewoordingen tegen

Efeze 4: 9 Wat betekent dit: Hij is opgevaren, anders dan dat Hij ook nedergedaald is naar de lagere, aardse gewesten? 10 Hij, die nedergedaald is, Hij is het ook, die is opgevaren ver boven alle hemelen, om alles tot volheid te brengen. 11 En Hij heeft zowel apostelen als profeten gegeven, zowel evangelisten als herders en leraars, 12 om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon, tot opbouw van het lichaam van Christus, 13 totdat wij allen (pantes) de eenheid des geloofs en der volle kennis van de Zoon Gods (huiou tou theou) bereikt hebben, de mannelijke rijpheid (andra teleion), de maat van de wasdom der volheid (helikias tou pleromatos) van Christus. 14 Dan zijn wij niet meer onmondig, op en neder, heen en weder geslingerd onder invloed van allerlei wind van leer, door het valse spel der mensen, in hun sluwheid, die tot dwaling verleidt, 15 maar dan groeien wij, ons aan de waarheid houdende, in liefde in elk opzicht naar Hem toe, die het hoofd is, Christus. 16 En aan Hem ontleent het gehele lichaam als een welsluitend geheel en bijeengehouden door de dienst van al zijn geledingen naar de kracht, die elk lid op zijn wijze oefent, deze groei des lichaams, om zichzelf op te bouwen in de liefde.”

De Messias is het hoofd, de eerste, degene waar wij als gelovigen uit voortkomen. Hij is de Zoon van God. In deze beeldspraak is hij de zoon, dat is een man die onberispelijk, volwassen, rein, of in het Hebreeuws tamim is. Dus ook een vrouw heeft de Zoon van God als bron. Ook voor haar geldt in deze beeldspraak de mannelijk rijpheid.

d.1 Timotheus 2:11-15

“11 Een vrouw moet zich rustig, in alle onderdanigheid, laten onderrichten, 12 maar ik sta niet toe, dat een vrouw onderricht geeft of gezag over de man heeft; zij moet zich rustig houden. 13 Want eerst is Adam geformeerd, en daarna Eva. 14 En Adam heeft zich niet laten verleiden, maar de vrouw is door de verleiding in overtreding gevallen; 15 doch zij zal behouden worden, kinderen ter wereld brengende, indien zij blijft in geloof, liefde en heiliging, met ingetogenheid.”

Rustig is in de NBG de vertaling van het Griekse woord hesuchia. Hier wordt niet het woord phimoo gebruikt, afgeleid van phimos, muilkorf. Dus het gaat er niet om dat de vrouw de mond gesnoerd moet worden. De vertaling rustig is hier op zijn plaats. Het woord hesucho wordt ook gebruikt in 2 Thess. 3:12 11 Wij horen namelijk, dat sommigen onder u zich ongeregeld gedragen, door geen werk te verrichten, maar bezig te zijn met wat geen werk is; 12 zulke mensen bevelen wij en wij vermanen hen in de Here JezusChristus, dat zij rustig bij hun werk blijven en hun eigen brood eten.

Het gaat er dus niet om dat ze zwijgen, maar dat ze rustig zijn in de zin van geregeld, ordelijk.

e.1 Petrus 3:1,2

In 1 Petrus 3:1 lezen we:

Evenzo gij, vrouwen, weest uw mannen onderdanig, opdat, ook indien sommigen aan het woord niet gehoorzaam zijn, zij door de wandel hunner vrouwen zonder woorden gewonnen worden, 2 doordat zij uw reine en godvrezende wandel opmerken.”

 Ook hier gaat het weer om balans. Enerzijds kan er bij vrouwen de neiging zijn, zoals in Korinthe en Efeze om de man te overheersen (denk aan de leer van de Amazones!) anderzijds bestaat dezelfde neiging bij de man om de vrouw onderdrukkend te overheersen. We zien dat de historie hier voorbeelden te over van biedt. Ieder bedrijf, land, gemeenschap of gezin heeft leiderschap nodig. Wanneer de man deze leiding geeft wil dat niet zeggen dat de vrouw daardoor als een robot verstandsloos volgt. Dat zou een ontkenning zijn van haar menszijn. Als het goed is dienen man en vrouw elkaar in het huwelijk. De man zal luisteren naar zijn vrouw en vrouw naar de man. De Bijbel biedt hier voldoende voorbeelden van. Maar uiteindelijk moet er een besluit vallen en zal hij dienend leiding geven. U begrijpt dat dit los staat van de vraag of een vrouw wel of niet mag spreken in de gemeente.

f.1 Petrus 3:6

In 1 Petrus 3:6 vinden we dit voorbeeld:

 “Want aldus tooiden zich ook weleer de heilige vrouwen, die hoopten op God, onderdanig aan haar mannen, 6 zoals SaraAbraham gehoorzaamde (hos Sara hup-ekousen) en hem heer (kurion) noemde; en haar dochters zijt gij, als gij goed doet en u geen schrik laat aanjagen.”

Sara noemde haar man kurion, en dat betekent heer. Ook wij doen dat nog steeds. Men noemt mij meneer Wijtsma, dat een verkorting van mijn heer Wijtsma. Maar ondertussen bevestigt de Eeuwige de woorden die Sara tegen haar man spreekt in Gen.21:12 in alles wat Sara tot u zegt, moet gij naar haar luisteren,” (כֹּל אֲשֶׁר תֹּאמַר אֵלֶיךָ שָׂרָה, שְׁמַע בְּקֹלָהּ)Dus in alles wat Sara zegt/ spreekt/ onderwijst (amar), moet hij naar haar luisteren (Sj’ma). Dat zij hem heer noemt zegt niets over het feit dat ze hem niet aan mag spreken en hem niet mag corrigeren, zelfs niet onderwijzen. Onze tekst vertaalt “zoals Sara Abraham gehoorzaamde” . Het Grieklse ‘Hup-akouo’ betekent gehoor geven aan, luisteren naar. Het is een samenstelling van ‘hupo’ dat onder, of ondergeschikt betekent en ‘akouo’ dat horen of luisteren betekent. Je bent dus onder het gehoor van de ander. Je luistert naar de ander. Sara luisterde naar Abraham. Zou het niet vreemd zijn wanneer ze dit niet zou doen? Abraham luisterde ook naar Sara, zelfs in opdracht van de Allerhoogste Kurios! Maar dit gedeelte beint met de heilige vrouwenm die onderdanig waren aan haar mannen. Dit woord ‘onderdanig’is de vertaling van het Griekse woord ‘hupo-tassonemai’. We weten al dat ‘hupo’ ‘onder’ betekent. Het woord ‘tasso’ betekent ordenen.

 

 

9. WAT ZEGT JESJOEA DE MESSIAS HIER VAN?

In Sotah 3:4 lezen we: “Rabbi Eli’ezer zegt: Wie zijn dochter onderwijst uit Torah wordt beschouwd als of hij haar dwaasheid leert.”

Rabbi Jesjoea leerde toch wel heel iets anders. Wanneer Hij een Samaritaanse vrouw onderwijst reageren zijn discipelen als Rabbi Eli’ezer.

Op dat moment kwamen zijn leerlingen terug, en ze verbaasden zich erover dat hij met een vrouw in gesprek was.” Joh.4:27.

Jesjoea was anders dan gewoon; een groot aantal vrouwen volgden hem zo lezen we in Matth.27:55

“En daar waren vele vrouwen, die uit de verte toeschouwden, welke Jezus gevolgd waren uit Galilea, om Hem te dienen.”

In Matth.28:7 lezen we zelfs dat vrouwen de eerste evangelisten waren:

Matth.28:7 “En ga nu snel naar zijn leerlingen en zeg hun: “Hij is opgestaan uit de dood, en dit moeten jullie weten: hij gaat jullie voor naar Galilea, daar zul je hem zien.” Dat is wat ik jullie te zeggen had.’”

De eerste apostolische opdracht werd aan een vrouw gegeven lezen we in Matth.28:10, want een apostel (apostolos) is een gezondene en Maria werd hier gezonden om de andere discipelken het goede nieuws te vertellen.

“Toen zeide Jezus tot haar: Weest niet bevreesd. Gaat heen en bericht mijn broeders, dat zij naar Galilea gaan, en daar zullen zij Mij zien.”

de Naardense vertaling vertaalt dit met: gaat heen, verkondigt aan mijn broeders.”

Het is opvallend dat Jesjoea in zijn onderwijs uit Torah steeds weer naar de basis gaat, naar de kern, naar de geest van Torah. Wanneer we onderstaande woorden van Jesjoea lezen weten we eigenlijk al genoeg.

Matth.20:25 “Doch Jezus riep hen tot Zich en zeide: Gij weet, dat de regeerders der volken heerschappij over hen voeren en de rijksgroten oefenen macht over hen. 26 Zo is het onder u niet. Maar wie onder u groot wil worden, zal uw dienaar zijn, 27 en wie onder u de eerste wil zijn, zal uw slaaf zijn; 28 gelijk de Zoon des mensen niet gekomen is om Zich te laten dienen, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen.”

Het heerschappij willen voeren is een eigenschap van de wereldse mens. Ik noem dit altijd de eigenschap van de grootgrondbezitter. De profeet Jesaja is hier in Jes.5:8 heel duidelijk over:

Wee hun die huis aan huis voegen, akker aan akker trekken, totdat er geen plaats meer is, en gij alleen de gezeten lieden zijt in het land.”

Dit is een groot probleem in deze wereld en feitelijk hebben de meeste mensen deze neiging, of het nu om grond, geld, bezit of gezag gaat. Ook tussen man vrouw heeft dit probleem enorm veel ellende veroorzaakt. Wanneer we de afschuwelijke uitspraken van de kerkvaders horen over de vrouw, dan voelen we de schuld die de kerk op zich geladen heeft. (lees b.v. “De Mislukte man” van Jacob Slavenburg)

Wanneer we Jesjoea volgen in de evangeliën dan komen we nogal wat vrouwen tegen waar Hij mee omgaat. Naast de 12 leerlingen volgden ook vele vrouwelijke leerlingen hem. Het waren zelfs vrouwen die de eer ontvingen om de eerste evangelisten te zijn (Matth.28).

In Galaten 3 wordt de houding van Jesjoea t.o.v. zowel man als vrouw ondersteund. Want gij zijt allen zonen van God. Zonen zijn erfgenamen en daarom zijn vrouwen in dit voorbeeld anders dan in vele culturen ook erfgenamen.

“Want gij zijt allen zonen van God, door het geloof, in ChristusJezus. 27 Want gij allen, die in Christusgedoopt zijt, hebt u met Christus bekleed. 28 Hierbij is geen sprake van Jood of Griek, van slaaf of vrije, van mannelijk en vrouwelijk: gij allen zijt immers één in ChristusJezus. 29 Indien gij nu van Christus zijt, dan zijt gij zaad van Abraham, en naar de belofte erfgenamen.”

Nergens lezen we dat vrouwen door Messias Jesjoea verboden worden te spreken. En wanneer onze grote rabbi, onze grote leraar en voorbeeld dit niet doet, dan moeten we ons afvragen of wij een weg moeten gaan die anders is dan zijn weg.

 

10. CONCLUSIE

Als mensen van de 21e eeuw staan we als het ware op de schouders van onze voorouders. We zijn gevormd door onze opvoeding en het onderwijs dat we genoten hebben; dus door de denkpatronen van onze voorouders. De Bijbel lezen we in vertalingen die ook gekleurd zijn door de theologische bril van de vertalers. Wanneer we out of deze box durven te denken, wanneer we open willen staan voor de grondtekst en daarbij proberen ons te verplaatsen in de cultuur van de tijd waarin de tekst is geschreven, dan komen we dichter bij de bedoeling van de Schrift. Dit is geen gemakkelijk proces, maar wel noodzakelijk.

Het is duidelijk dat de Eeuwige de mens schiep als man en vrouw, niet als gelijk, maar wel als gelijkwaardigen. Man en vrouw zoeken eenheid bij elkaar in onderlinge liefde en dienstbaarheid. Met de zondeval ontstaat het denken in macht en dit leidt tot allerlei vormen van zonde: van diefstal en grootgrondbezit tot eerzucht en doodslag. De zondeval heeft natuurlijk ook een groot effect op de relatie tussen mannen en vrouwen. We hoeven alleen maar te kijken naar de filosofiën die van grote inloed zijn op onze tijd: de heidense Grieken en de Kerkvaders. De leiders van ons land hebben vrijwel allemaal een VWO- en daarna een universitaire opleiding genoten. De invloed van de oude Grieken is daar groot. Wanneer het gaat om theologische opleidingen, dan spelen de kerkvaders een grote rol en juist deze beide hebben uiterst negatieve gedachten ontwikkeld ten opzichte van de vrouw. Het is dan ook beter daar niet te rade te gaan, maar gewoon de kern van het Woord van God te volgen. Juist in Torah leren we de schepper van hemel en aarde het beste kennen. Nergens in Torah lezen we dat de vrouw moet zwijgen in de kehile (gemeente), nergens lezen we dat ze geen leidinggevende functie mag hebben. Juist in de tijd en cultuur van Tenach (OT) en Brit Chadasjah (NT), waar mannen, vrouwen overheersen zien we vrouwelijke leiders, vrouwelijke dichters, vrouwelijke profeten.In dit soort culturen behoort de vrouw tot de geringen en hoe reageert de Eeuwige daar op?Hij heft de geringe op uit het stof”1 Sam.2:8 “hij zal zich ontfermen over de geringe”Psalm 72:13 Die de geringe opricht uit het stof.”Psalm 113:7

Ook in de Apocriefen komen we sprekende en leidende vrouwen tegen, evanals op antieke inscripties; in oude grafschriften. Deze maken duidelijk dat zowel in het Jodendom als in het Christendom vrouwen leidende rollen innamen.

Dan lopen we plotseling tegen enkele uitspraken van Paulus aan, en daar waar sommige kerken Torah hebben afgeschaft, hebben ze Paulus’ woorden uit brieven die specifiek naar probleemgemeenten zijn gestuurd, verheven tot wetgeving. Dit is natuurlijk volkomen onzinnig, alsof je een medicijn voor een specifieke patient toedient aan de hele mensheid, ongeacht de aandoening. De Eeuwige leert ons dat er niets van zijn geboden afgedaan mag worden en niets toegevoegd. Ook Jesjoea onze Messias geeft duidelijk aan dat er geen tittel of jota van de wet afgedaan mag worden. Het is niet anders dan Schriftvervalsing wanneer dit wel gebeurt.

Jesjoea zelf laat ons een zeer vrouwvriendelijke houding zien. Hij plaatst haar op de plek waar ze hoort en nergens verbiedt hij vrouwen te spreken of leiding te geven.

Tenslotte is het bijzonder opvallend dat nergens in de Bijbel een straf verbonden wordt aan het spreken of leiding geven van een vrouw. Alleen dit gegeven moet al maken dat we er geen drama van maken wanneer een vrouw in de gemeente voor gaat.

Gerard Wijtsma

Voorganger van de Messiaanse Gemeeente Mayaan Yeshua in Drachten

Plaats reactie

Beveiligingscode
Vernieuwen